Zuidendijk

nr 178 – 182 nr 245 – 327 Crabbehof Dordrecht

Historie van de Zuidendijk

geschreven door Cees Maas

Ja, de strijd tegen het water zit de Hollanders in het bloed. Het zien van een dijk en stijgend water zal bij jongens van Johan de Wit een eigenaarschap en zorg voor die waterkering doen opwellen. En dat is te respecteren, want terecht omschrijft Dr. H.A. Visser in zijn 'Historie, karakter, kwaliteiten, kansen en wandelroutes van de Dordtse wijk De Crabbehoek' over de dijk tussen Wielwijk en Crabbehof als een "Cultuurhistorisch waardevolle Zuidendijk".

Aangenomen mag worden dat ...

Om op het eiland van Dordt dat eigenaarschap en het ontstaan van de Zuidpolder en de Zuidendijk te kunnen begrijpen moeten we teruggaan naar de bron: het Dordrecht van vòòr de Sint Elisabethsvloed in het rampjaar 1421.

De voorgeschiedenis van onze Zuidendijk en de Zuidpolder moeten we helaas baseren op summiere feiten omdat er zelden kaarten van een dergelijk buitengebied werden gemaakt en de boekdrukkunst nog niet ontdekt was.

In tegenwoordige beschrijvingen over die voorperiode worden veel termen gebruikt zoals "we mogen niet uitsluiten dat ...", "veel minder duidelijk is dat ...", "dit riviertje zou wel eens ...", enz. Toch heb ik geprobeerd door het duiden van de verschillende beschrijvingen, het interpreteren van het ontstaan van de loop van de rivier en het meedenken met mensen, de geschiedenis van onze Zuidendijk te beschrijven. Het blijft echter een best guess, die altijd voor aanpassing vatbaar is en waarvan in de loop van de ontdekking van nieuwe of aanvullende bronnen moet blijken in hoeverre ik de plank raak heb geslagen.

De schone slaper

Bij het lezen van prachtige boeken zoals "Geschiedenis van Dordrecht" van Herwaarden, de Boer, van Kan en Verhoeven, "Geschiedenis van Dordrecht" door J.P van Dalen en "Wandelingen door Dordrecht" door C.J.P. Lips wordt veel vermeld over de oude strijd van de mens tegen het water. Die strijd is zelfs nu nog niet gestreden en zo kan het voorkomen dat er bij stijgende rivierwaterstanden nog steeds kades in de binnenstad van Dordrecht onderlopen en vloedplanken moeten worden geplaatst om het water te keren. In dit kader is het te hopen dat de Zuidendijk nooit de taak op zich hoeft te nemen waarvoor hij in 1617 is aangelegd, maar inderdaad een "schone slaper" mag blijven.

Houten hutten

In de beginperiode bestond de monding van de rivier de Maas uit een groot aantal eilanden en zandplaten, waar eb en vloed vrij spel hadden. Door opslibben en vermenging van rivierklei en eerder gevormde veenlagen kon een enigszins "vruchtbare" laag ontstaan. Een duidelijk voorbeeld van een dergelijke situatie is de huidige Biesbosch, met eilanden vol ruige begroeiing, rivierzandbanken en slibplaten. Op enkele van zulke eilanden of platen konden zogenaamde rivierduinen ontstaan zoals die ook nu nog te zien zijn langs de Beneden Merwede en de Nieuwe Merwede (wandelgebied Zuidhaven). Deze rivierduinen bleven ook bij vloed boven water en leenden zich bij uitstek voor de eerste permanente bewoning in dit gebied. Dit waren dan vooral vissers en jagers.


De eerste oeroude bewoning in deze streken moet op zulke natuurlijk gevormde hoogten en in de nabijheid van rijke visgebieden zijn geweest. Bewijs hiervan treffen we ook aan in oude sporen die zijn gevonden in en rond Vlaardingen, Geervliet, Heenvliet, Spijkenisse en de Alblasserwaard. De eerste bewoning van Dordrecht vond plaats aan de monding van de rivier de Thure (de huidige Voorstraathaven aan de Boomstraat) en op de locatie waar nu de huidige Nieuwkerk staat. De bebouwing bestond uit niet meer dan enkele eenvoudige houten hutten en schuren. Daartussen werd, tussen enkele natuurlijk gevormde hoogten aan de landzijde, een verbinding aangebracht. Namelijk die tussen de Riedijk en de Oudedijk (wat nu Voorstraat is).
Deze vroegste verbindingen en inpolderingen vormden samen uiteindelijk de Grote of Zuid-Hollandse Waard. Hiertussen stroomde de rivier de Maas met zijn zijrivieren de Dubbel en de Thure. Deze Grote Waard was geografisch verdeeld in: de Dordtse Waard (ten noorden van de rivier de Dubbel), de Tieselenswaard (tussen de Dubbel en de Maas) en de Strijense Waard (het gebied ten zuiden van de Maas).

Dubbel, Maas, Devel en Thure

Voor de beruchte St Elisabethsvloed stroomde de Maas dwars door de huidige Brabantse Biesbosch en pal ten noorden van de Grafelijkheidsweg over het eiland van Dordt. Vervolgens ging de rivier bij het 's Gravendeelse veer de Hoekse waard op, en stroomde verder langs het huidige Maasdam om uiteindelijk langs Putten en den Briel naar zee te vloeien. De Dubbel vertakte zich van de Maas (ter hoogte van de huidige algemene begraafplaats) en volgde verder de loop van de huidige Oude Maas. Een tak hiervan (de Devel) stroomde naar Zwijndrecht. Het Papegat bij de Weeskinderdijk zou van de Dordtse zijde van de Devel nog een restant zijn. Samen met de Maas vloeide de Dubbel en de Devel weer in zee.


Met name de Thure zou, volgens de geschiedkundigen, een belangrijk riviertje blijken te zijn. De Thure was het zijriviertje van de Dubbel te hoogte van Dordrecht. De Thure stroomde vanaf de huidige "blauwe tunnel" naar de huidige Dubbeldamseweg, en vervolgde haar weg langs de Blekersdijk en het Bagijnhof. Hierna passeerde zij de Visstraat om vervolgens de huidige Voorstraathaven om ter hoogte van het Groothoofd op te gaan in de Merwede.


Het is het riviertje de Thure waaraan Dordrecht haar naam dankt. Aan het eind van de Vrieseweg (ter hoogte van de Voorstraat) bestond vroeger namelijk een doorwaadbare plaats. In de Romeinse tijd heette het hier nog Dordracum, Thuredriht. Dit is in de latere jaren door de bewoners verbasterd tot Doerdrec, Dordrecht of Dordt. Een drecht of tricht is dus een doorwaadbare plaats in een rivier zoals ook Sliedrecht en Barendrecht. Zo ook heeft Zwijndrecht weinig met zwijnen te maken. Wel kon je daar het Swin oversteken (een moeras tussen Dordt en Zwijndrecht).

Romeinen

Van Maastricht tot aan Rijnsburg was door de Romeinen een belangrijke weg aangelegd. Deze liep onder andere door de Grote Waard en de Zwijndrechtse. Deze weg is op het eiland van Dordt nu nog te herkennen als Reeweg, Haaswijkweg en Vrieseweg. Verder ging de weg over de doorwaadbare plaats in de Thure en over het moeras het Swin de bij de Langeweg de huidige Rotterdamse Straatweg op. Daarna ging het helemaal verder via Delft naar Katwijk waar een Fort van de Romeinen aan de monding van de Kromme Rijn lag.


Men zegt dat sporen van die oude Romeinse bestrating 5 meter diep liggen onder de huidige Vrieseweg. De nu Vriese weg is indertijd ontstaan door ophoging van de dijk langs de Thure. In de jaren na de Romeinen groeide Dordrecht rond deze doorwaadbare plek uit tot een handelsplaats en opslagplaats van goederen. Dit was te danken aan de aanvoer uit de omgeving van vis, vlees, hout, brandhout, turf, bier en wol. Dordrecht heeft deze vooraanstaande handelsstatus nog tot ver in de eeuwen weten te behouden.

Tolgeld

De Dordtse poorters en tollenaars stonden al in 1015 klaar om geld te 'ontvangen' van arme schippertjes die met een lading schaapjes argeloos langs Dordt voeren. Die schippers zagen de tol al gauw als pure roof, en men zei in die tijd al "hoe dichter bij Dordt ..." enz. De oudste tol is gesticht kort na de laatste invasie van de Noormannen in 1006. Daarvoor voeren de gevreesde rovers de Merwede op om ook steden als Tiel en Utrecht te plunderen. Dat deze Noormannen regelmatig de streek van het "Insula Batavorum" plunderde is zeker, maar aan het bestaan van een 'Vikingnederzetting', zoals elders in Europa (Normandie, Engeland) wordt sterk getwijfeld.


In Dordt werden maatregelen, zoals het bouwen van twee burchttorens, getroffen om verdere plunderingen door Noormannen tegen te gaan. Een van de burchttorens is geplaatst op de monding van de Voorstraathaven bij de Boom. Het blijft onzeker of deze burchttoren en uitkijkpost, in 1015 gesticht door Dirk de 3e, uiteindelijk een tol van Dordt is geworden of niet. Met zekerheid weten we wel dat er in 1220 een tol is geweest op de Tolbrug en in 1408 een zwijgende tol heeft bestaan op de Nieuwdijk (Wijnstraat). Ook heeft in 1408 een tol bestaan bij de Nieuwbrug en in 1477 op de Riedijk.


Dordrecht werd alsmaar rijker en rijker. Dit kwam doordat de kortste vaarroute vanuit het noorden naar Zeeland en België ging over de Thure. Het Swin (de huidige Oude Maas tussen het Groothoofd en de Drechttunnel) was toen nog een moerasbos en was zeker niet bevaarbaar voor schepen met lading. Langzaam aan won Dordrecht in aanzien en verkreeg in 1220 stadsrechten met daarbij in 1299 het "roemruchte" stapelrecht. Dat was een "regelingetje" waarbij de stad Dordrecht het eerste recht had om de aangevoerde handel te kopen en te verkopen. Het bracht allemaal geld in het laatje ten gunste van de stad Dordrecht en al snel bouwde men toen de haast onneembare verdedigingsmuren en -torens. Ook grotere bouwwerken verrezen zoals de Grote kerk (1339), de vleeshal, de lakenhal (het huidige Stadhuis) en verder de grote herenhuizen en pakhuizen. Dordrecht moest in die tijd al heel belangrijk zijn geweest en dreigde de belangrijkste stad van Holland te worden. Een positie die andere steden zichzelf ook toewensten.

Hoog water

Maar de voorspoed werd in 1421 (Sint Elisabethsvloed) abrupt onderbroken door het hoogwater in de monding van de Maas. Dit viel tegelijkertijd met de viering van de Heilige Sint Elisabeth. Het water in de rivieren steeg tot ongekende hoogte en er waaide een krachtige noordwester storm. Zeewater vond zijn weg via de Vlake, het Haringvliet, Buttervliet en Wijvekeen (het huidige Hollands Diep). Dijken die slecht waren onderhouden, gewoon te laag waren ontworpen of gedeeltelijk waren achtergraven door moeren (turfwinning) werden overspoeld of braken door. Dorpen werden geheel weggevaagd en zeker duizenden mensen zijn toen jammerlijk verdronken, kortom een echte ramp. Enkele van die verdwenen vroege bewoningen in de Grote Waard waren Craijenstein (burgt), Eemstein, Dubbelmonde, Houweningen, Tolloysen, Almsvoet en Heijsterbach (klooster).

Door haar stadswallen en stadsmuren en heel veel moeite bleef de stad Dordrecht goeddeels gespaard van het water. Het is opmerkelijk dat van de stad Dordrecht en haar strijd tegen het water tot in detail alles is gedocumenteerd en na te lezen, zelfs het aantal geschonken glazen wijn is bekend. Hierbij is het opmerkelijk dat van de buitengebieden, die alleen maar geld moesten opleveren en blind moesten gehoorzamen, hoegenaamd weinig tot niets bekend is of was. Want van de jammerlijk getroffen waarden wist men het totaal aantal inwoners zelfs niet te schatten en was men het totaal aantal dorpen met namen en al volledig kwijt (72?).

Dijken

Door een veranderd stromingspatroon van het water na deze ramp slibde de grond rondom Dordrecht snel aan zodat met inpoldering kon worden begonnen. Eerst vormde men kleine afzonderlijke poldertjes die later in 1603, door het aanleggen van de Groenendijk, Oudendijk, Brouwersdijk, Krommedijk/ Koeiendijk, werden samengevoegd tot het Oude land van Dubbeldam.


In het begin zag het landschap er zo'n beetje uit als de Biesbosch met kreken, killen, hoog opgeschoten riet, biezen en wilgenhout. Door voldoende slibaanvoer van de rivieren kon in 1606 opdracht worden gegeven om de Zuidendijk aan te leggen, die haar afronding kreeg in 1617 waardoor de Zuidpolder ontstond. Door ontwateringsloten te graven aan beide zijden van de dijk kon grond worden aangevoerd voor de bouw van de dijk, maar hierin dumpte men ook alles wat men kwijt wilde, zoals stadsvuil. (Beetje diep graven en je komt een Noorman tegen ... met een Romeinse helm op).

Landgoedje, boerderijtje en molentje

Al bestaande bebouwing in de polder (Oude land van Dubbeldam) was Zuidhoven. Al in 1611 werd hij genoemd en in 1633 in eigendom gekomen van Cornelis van Beveren. Na de totstandkoming van de Zuidendijk in 1617 werd begonnen met het inrichten van de Zuidpolder. Allereerst (1626) is het Landgoed Crabbehoff gebouwd. Dit gebeurde op last van Cornelis Roekantsz Schouw, en wel op het hoogste en de meest geschikte locatie in de polder. De naam 'Crabbehoff' is ontleend aan een watertje (De Crabbe) dat zich na de Sint Elisabethvloed had gevormd. Dit bevond zich ter hoogte van het de huidige Zeehaven en Julianahaven.


Landgoed Crabbehoff kreeg een verbindingsweg naar de Zuidendijk bestaande uit een laantje met bomen en een brug over de brede sloot aan de Zuidendijk. Dit bruggetje is in zijn huidige vorm bewaard gebleven. De Zuidendijk werd meer en meer een verbindingsweg tussen de stad Dordrecht en bebouwing in het achterland zoals boerderijen en buitenplaatsen. We noemen er enkele zoals Vlietzicht in 1659, Amstelwijck in 1661, het 17e eeuwse Gravenstein, en Groenhove in 1673. Laatst genoemde moet gelegen hebben aan het eind van de Smitsweg ter hoogte van de Kilweg. Een oud bruggetje uit 1782 is nog een restant uit deze periode. Later werden daar bekende boerderijen zoals Smitzicht aan de Reeweg zuid en Crabbestein aan toegevoegd. In diezelfde periode werden molens gebouwd om de Zuidpolder droog te houden. Onder andere één aan de Frans Lebretlaan op de Zuidendijk, één bij de Smitshoek aan de Zuidkil en de oudste uit 1618 aan de wat vroeger de Watermolenwei was. Een "gerucht" gaat dat van deze molen de teerlingen (fundatie) nog te vinden moeten zijn aan de Hugo de Grootlaan. Ik zoeken .... niks hoor.


Buurtschapje

Er werden ook huizen gebouwd aan de Zuidendijk en langzamerhand ontstonden buurtschappen met elk een eigen herkenbare naam. Op oude kaarten staan deze buurtschappen genoemd en zo kennen we Smitshoek bij de Smitsweg, De Eerste Tol, Zuidendijk bij De Mijl en waar het ons om gaat is het buurtschap "De Blaauwe Kan".


Die is genoemd naar een herberg, café of uitspanning alhier op ons deel van de Zuidendijk. Voor zover we kunnen nagaan dateert deze herberg uit het begin van de 18e eeuw, zeg maar rond 1740. In de ons bekende archieven is hierover helaas te weinig bekend. Het jaartal is geschat aan de hand van landkaarten, gevonden munten, pijpenkoppen, oude muren, metselwerk, en het vermoedelijke oude terras. Uit overlevering weten we dat hier de boeren zich hebben kunnen laven na het verkopen van vee of stukken land. Later, toen de Zuidendijk, Smitsweg, de Wieldrechtse zeedijk en de Zandweg een verbinding vormden naar Prinsenheuvel, is "De Blauwe Kan" in betekenis toegenomen zeker door bezoeken van reizigers uit Brabant.


De herberg moet rond 1850 vervangen zijn door een eenvoudig café, ongeveer in de bouw zoals het er nu uitziet. Het café heeft zelfs nog dienstgedaan tot na de eerste wereldoorlog. Na 1920 was het vast en zeker de woning zoals het er nu uit ziet.


Buurtschappen hadden in die tijd een eigen vertegenwoordiging, zeg maar een eigen "burgervader". Dat is meestal een centrale figuur op een plaats waar veel mensen samenkomen. De kastelein van de Blauwe Kan was een dergelijke burgervader en het beste op de hoogte van het laatste nieuws. Het feitelijke bestuur was tot 1972 gelegen bij de gemeente Dubbeldam, daarna werd Dubbeldam ingelijfd bij Dordt. De Zuidendijk werd beheerd door het Hoogheemraadschap Grote Waard en kwam nadat zijn functie als "slaperdijk" werd opgeheven onder het beheer van de gemeente Dordrecht. (1972)


Nog steeds wordt in ere gehouden dat je 's winters niet in de (slaper)dijk mag graven of spitten omdat bij hoogwater de dijk prima in orde moet zijn.

Respect

Als er iemand ernstig ziek lag werd er door de buurtbewoners zand gestrooid voor het huis van de zieke. Ook werd de hoefslag van de paarden dan gedempt om de zieke niet te verstoren. Uit respect voor die (erg) zieke buur werd er ook geen geluid gemaakt of hard gesproken. Als er begraven moest worden, dan hingen de naaste buren uit rouw wel lakens voor de ramen. Dat werd dan gedaan aan de kant waar de buur was overleden. Had men blinden voor de ramen dan gebruikte men die in plaats van lakens.

Van het huis waar de overledene was opgebaard of gewoond had, werden de ramen geheel met lakens of blinden gesloten. Je kon dan bij het naderen aan de buurt zien wie er was gestorven, dat hoefde je dan niet te vragen. Vreemd dat dit allemaal gebruik is geweest op de dijk, netjes nietwaar?

Bezetting 1940 – 1945

Vanaf de Zuidendijk kon je met helder weer en zeker in de winter de spoorlijn volgen totdat hij achter de boerderij van Piet Schenk verdween. Het is nu een manege waar de nobele rijkunst te paard wordt onderwezen inclusief het galopperen. De Duitse troepen kwamen vanaf de Zeehavens over de rijksweg naar de Zuidendijk om de Hollandse verdedigers over de spoorlijn te verdrijven. Alle bewoners van de Zuidendijk vanaf de Patersweg tot de spoorlijn moesten evacueren omdat dit met beschietingen gepaard ging. De Duitse troepen schoten met kanonnen vanaf de rijksweg OVER de dijk.


Om te voorkomen dat iedereen nu naar kogelgaten gaat zoeken in z'n woning nogmaals OVER. De evacuatie ging razendsnel, binnen een mum, poep en een zucht was iedereen buiten met een zak brood in zijn hand, pyjama onder de arm en kaarsen in een jaszak. Iedereen ging mee natuurlijk. De huizen werden niet zoals tegenwoordig hermetisch Fort Knox afgegrendeld, en het spaargeld was zomaar plompverloren achtergelaten zo verbaasde men zich later. Er kon onderdak worden gezocht in de schuur of loods bij Piet Brand, bij J. van de Boogert of bij Piet Schenk. Het duurde maar kort zodat iedereen weer snel terug kon.

Nieuwjaar

Nieuwjaar werd toen op de dijk niet gevierd zoals wij dat tegenwoordig doen. Een hele nacht feesten met drank, rotjes, gillende keukenmeiden en zo, dat kenden ze in die jaren niet want ook op nieuwjaarsdag moest er weer gewoon gewerkt worden.

In de Zeehaven bliezen de boten (zeeschepen) op hun toeters en tegelijkertijd of iets later schoot de heer Andeweg zijn jachtgeweer leeg, en dat was alles. Wel was het op de Zuidendijk de gewoonte om op de Zondag na oud en nieuw elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen dat gepaard ging met een flinke wandeltocht. Let wel het waren toen voornamelijk grote families. De wandeltocht begon bij een familie meestal ter hoogte van de Mijl. Deze familie liep in de richting van de Zuidendijk naar hun eerste buren. Gelukwensen werden uitgewisseld en een neut werd achterover geslagen.

Vergezeld van het tweede gezin ging de tocht verder naar de volgende buurtjes. Dit ging zo door tot aan de Smitshoek. Het werd dan wel een geweldige drukte, maar gezelligheid stond bovenaan. Vanzelf haakte er een gedeelte af als alle familie en kennissen de beste wensen hadden gekregen, maar er waren er ook die de hele dijk uit moesten lopen. Het jaar daarop was de afspraak om aan de andere kant te beginnen. Volgens zeggen is dit "gebruik" nog in 1959 gehouden en stopte de stoet in café "de Mijl" aan de Glazenbrug ... helaas voor het laatst.

Pokken en pest

Naast het huis (zuidzijde) van Henk de Staart (iedereen heeft een bijnaam) lag in vroeger tijd een begraafplaats. Het aantal huizen op de dijk was nog een stuk kleiner dan nu. De mensen die er toen begraven werden zijn waarschijnlijk niet overleden aan de pest of pokken. Ze werden dan heel ver buiten de stad begraven. Het knekel- en knokenveldje is in ieder geval geheel geruimd voordat de bouwactiviteiten van de wijken plaatsvonden. Lijkt me eng.

Het Ronde Ding

Naast het huis van Henk (waar Barto gewoond heeft) stond een grote groene ronde bus met een deurtje. "GEB" stond erop, het was een elektriciteitshuisje wat gesloopt is nadat er ondergrondse stroomkabels werden aangelegd. Buiten het ronde ding werd gespeeld op de betonnen voet en ook was het een ideaal plekje om je meisje een zoen te geven of zo. Het was regelmatig een drukte van belang in dat ronde ding. Mensen van GEB kwamen vaak voor reparaties omdat stroomstoringen schering en inslag waren.

Met nadruk wordt gezegd dat de stroomvoorziening op de hele dijk een ramp was en iedereen moest genoeg kaarsen of olielampen in huis hebben om storingen te kunnen doorstaan.

Er waren in de beginperiode alleen maar bovenleidingen, dat waren houten palen met uithouders met witte porseleinen isolators. Mensen met ijzeren sikkels aan de voeten gegespt, klommen in die palen omhoog om de boel te repareren als er met een storm takken op de draden waren gevallen. De draden werden over de witte isolators naar de huizen geleid.

Sommige woningen op de Zuidendijk hebben die witte porseleinen isolators nog lang aan de gevel gehad. Wie heeft er nog een?

Makelaars

De Zuidendijk is een attractie voor spotters en fotograferende verzamelaars van makelaars.

Makelaars zijn kunstig uitgezaagde figuren volgens een vast spiegelpatroon, die gewoonlijk aan de kopse gevel op de nokbalk van een (oud) huis zijn bevestigd.

Sommige huiseigenaren hebben in de loop der tijd dat vervelende ding verwijderd omdat het verven zo'n werk is. (zonde ...). Er zijn er gelukkig nog genoeg over en het is de moeite waard om die kunststukjes op een wandeltochtje eens te tellen. Op onze Zuidendijk zijn enkele zeer bijzondere modellen te bewonderen.

Paarden

Bekend was voerman de Singel op de Zuidendijk die met zijn luxe werkpaard en wagen materiaal aanvoerde voor de nieuwbouw in de wijken. Altijd op pad met dat wit-zwarte hondje ernaast. De groen geverfde schuren voor zijn paard en wagen staan er nog naast de oude opritten van de Crabbeweg naar de Zuidendijk. Ik heb gezien dat zijn paarden een verzakte vrachtwagen van Verzijl (een leger GMC op LPG...) uit de bagger trok. Nooit heb ik het meegemaakt dat zo'n vrachtwagen het paard en wagen uit de moeilijkheden hoefde te halen. Het paard ging gewoonweg niet als het terrein onbegaanbaar was, slim paard, slim hondje.

Dat witzwart gevlekte foxhondje was inderdaad gezegend met een goed stelletje hersens. Het lag op rustdagen op een tactische plaats op het erf zodat het ruim "schootsveld" had naar alle kanten. De dijk trok het meest de aandacht omdat zijn aartsrivaal de-hond-van-Teun-Mol niet mocht passeren zonder een knauw in z'n bast.


Het paard kreeg wel eens een 'pepermuntje' voor zijn extra inspanning en dan bedelde de fox ook om zo'n felbegeerde witte ronde schijf. Na lang springen en blaffen kreeg 'ie er dan een "grrmpff ......". Z'n bekkie werd helemaal koud van binnen en het ging zelfs zeer doen op z'n tong". Je kon het aan het hondje zien, hij gruwelde, maar stug beet hij door en liet zich niet kennen. Als je een pepermuntje gaf waar het paard niet bij was dan liep de fox bijna piepend weg. De fox van de heer de Singel is helaas gestolen en is zelfs na lang en intensief speurwerk nooit gevonden.

Sport

De Crabbeweg was een drukke en belangrijke weg naar de sportvelden van voetbalverenigingen Fluks en Geluksvogels en korfbal vereniging Regenboog. Het was een ontmoetingsplaats voor jongens en meisjes en de bomen waren gladgeschuurd van het vrijen. Maaien en hooien werd daar niet gedaan omdat vrijwilligers het gras op lengte hielden en je kon dikwijls horen dat ze dat hoge gras met de grootste zorg liefkoosden.

De Crabbeweg voerde van de Zuidendijk naar Merelhof waar de hondenbrood- en kattenbrokkenfabrikant van Firma Dogcake NV in huisde. Enkele oude bomen staan nog langs de Douwe Aukesstraat (Wielwijk) welke ten zuiden van de beide basisscholen loopt. De Crabbeweg komt voor op kaarten van voor de 18e eeuw, een oud sportief laantje dus.

De ooievaar

Je raadt het al, als er gevreeën wordt dan zullen er ook wel ooievaars op een opdracht zitten te wachten. En dat klopt. De polder van Wieldrecht waar nu Wielwijk op staat, was hoofdzakelijk in gebruik als open weiland. Een mooie polder die Natuurmonumenten had doen likkebaarden, met sloten, dammen, koeien, en van die Oud-Hollandse hekken.

Vele trekvogels vonden er ieder jaar een rust- en verzamelplaats op hun noord- zuidroute. Wie herinnert zich nog de enorme groepen met kievieten? De polder was een modelpolder met helder water, kikkers, salamanders, stekelbaarsjes en allerlei soorten vogels waaronder ... ooievaars.

Kraaijenlaan

Tussen de boerderij van Aardenne en de Crabbeweg lag een open veldje. Daar werd door iedereen die de kunst machtig was (hoe kan het) gevoetbald. Amateurs en heel ruw, dat wel, maar er werden wel hoogstandjes verricht door de dijkse tuinders, chauffeurs, stratenmakers, smidsknecht en de melkboer op de hoek, wat altijd veel bekijks trok. In die tijd waren de jassen de doelpalen en werd het gras kort gehouden door de hongerige geiten van Teun. Voor aanvang van een partijtje moesten met pannendeksels de enorme hoeveelheid kraaien worden verjaagd. De Crabbeweg heette niet voor niks de Kraaijenlaan, want niemand sprak van "Crabbeweg", die wist gewoon niemand te vinden.
Het amateurboerenkinkelgeitenveldje had prachtig gras waar menige A-club jaloers op zou zijn. Het stuk dijk na dat trapveldje heette het "lege end". Als 's morgens vroeg de vrachtwagens gingen rijden van Ufkes, Wolst en Smaal dan was het een behoorlijk druk op de dijk. Als de vrachtwagens allemaal op weg waren en de rook was opgetrokken dan keerde de vredige rust weer terug op de dijk. Stoepie boenen, kleedje kloppen, bedden luchten, ramen zemen, was drogen, vredige rust...?
Maar niet altijd en overal ... het was een berucht stukje dijk daar waar de huizen pal tegenover elkaar staan. In die vooroorlogse tijd heerste er nogal eens onderlinge ruzies zodat je een stapje harder liep als je daar moest passeren.

Geiten

Teun Mol van de Zuidendijk had een hok met geiten en soms een grote bok. Als het mooi weer was dan mochten die lieve diertjes buiten in het gras happen. Binnen geen tijd hadden ze alles kaal gevreten rond de pen waar ze met een touw aan vast zaten. De bok met zijn geel gepiste sik, stonk het meest en je rook 'm op een mijl.


Niemand dorst er te dichtbij te komen want de horens werden door de heer Mol scherp geveild, zo werd er tegen kleine brutale apies gezegd. Altijd was hij met de geiten bezig, ze werden dan ook keurig verzorgd. Toen er pony's op de dijk met een mes werden mishandeld heeft hij de beesten maar weg gedaan.

Kool

Er is geen uitleg nodig om te zien dat op de Zuidendijk de handel hoog in het vaandel staat, altijd zijn er winkeltjes of handeltjes geweest in fietsen, auto's, peren, wereldberoemde kaas, computers, siervissen, kunst, bomen, struiken, eieren, tomaten, paarden, konijnen, geiten, hooi, strooi, wijn, honing, hasj en mest. Wie weet nog van het winkeltje van Kees de Bruin met z'n kruidenierswaren; een "buurtsuper" zeg maar. Lang heeft het reclamebord van die "lampenfabrillips uit het zuiden des lands" er nog aan de gevel gehangen. Alles kon je kopen; nieuwe vullingen voor het zand-, zeep- en soda rekje, ijzeren pannensponzen, ragebollen, mattenkloppers, peper en zout, suiker, koffie, bonen, erwten, de beroemde Zuidendijkse kaarsen en natuurlijk lampen.


Dat de melkhandel van A. de Bruin die heeft moeten ruimen voor de Laan der VN. Daar was lange tijd de enige telefoon van de hele omtrek te vinden. Je mocht bellen in noodgevallen, zoals toen het rieten dak van het huis van van de Nadort vlam vatte. Maar helaas verging het hele huis tot een laag kool. Toen het puin geruimd was heeft de Kwaasteniet er gewoond in een zelfontworpen en briljant geconstrueerde woonwagen (zonder octrooi of patent). Nu is de locatie een goed onderhouden wondertuin, de rodekool groeit daar als kool.

Desktop Site